Als op een school niet 1, niet 2, niet 3 maar 4 keer in 1 schooljaar te maken krijgt met een ouder overlijdt dan heeft dat grote impact op de ouders, het team en de kinderen.
De 1e keer vertel je dat dit heel soms gebeurt. Dan geef je ruimte aan verdriet en zoek je met elkaar naar hoe je hier samen en alleen mee om kan en moet gaan.
De 2e keer wordt dit al lastiger en voelt iedereen dat verdriet zich kan stapelen. En de keren daarna sta je eigenlijk vooral met lege handen zonder antwoorden. Want ‘komt niet zo vaak voor’ gaat niet meer op. En geruststellen dus ook niet.
Daarom werd ik via het expertisecentrum voor Verlies gevraagd op deze school te komen vertellen over kinderen en rouw.
En dan vertel ik. Over wat rouw is. Over wat gewone rouwreacties zijn. En bij welke leeftijd wel besef is. Hoe oud je moet zijn om te rouwen. (te jong bestaat niet!) En ook dat verlies en rouw in ieder leven een plek verdienen.
Ik nam de aanwezigen mee in een stappenplan; Hoe luister ik echt naar een kind. Heel eenvoudig en voor de hand liggend en tegelijk; hoe vaak nemen we echt de tijd en rust om het zo stap voor stap volledig afgestemd te doen?
Ik liet prenten- en andere boeken zien die je met je kind kan lezen. Grappige, verdrietige en ontroerende.
En toen kwam ik op het punt waar het volgens mij allemaal om gaat.
Dat we niks kunnen oplossen.
Dat er geen antwoord is op de vraag; waarom in een half jaar 4 jonge ouders overlijden.
Er is geen pleister tegen tranen.
Er is geen garantie dat het nu klaar is.
Dus kinderen en volwassenen zijn verdrietig en bang. Dus zijn er meer vragen dan antwoorden.
We kunnen luisteren naar elkaar. We kunnen samen stil worden of juist dansen. We kunnen kaartjes sturen en gedenkhoekjes maken. We kunnen laten weten dat we aan elkaar denken.
En we hebben te leren dat de dood er is. Onverwacht, onuitgenodigd, onverdraaglijk.
En dan een persoonlijk antwoord vinden dat hier ruimte aan geeft en niks oplost.
Iedere keer weer.